Alternatief en verzekeringsgeneeskunde
Cees Renckens

Een 34-jarige vrouw, fulltime office manager in een vastgoedbedrijf, zit in de ziektewet wegens een sarcoidose stadium 4. De longarts stelt een indicatie voor prednisontherapie op grond van de geconstateerde ernstige bronchusobstructie en verlaagde diffusiecapaciteit bij maximale inspanning. De vrouw was geen voorstander van deze therapie en verkoos behandeling door een homeopathisch arts, werkend in een ‘Centrum voor Integrale Geneeskunst’. Terwijl de longarts de prognose ongunstig inschat als de vrouw immunosuppressieve therapie blijft weigeren, gaat de homeopaat aan de slag met alternatieve diagnostische methoden, waarmee hij ten minste een tiental diagnosen stelt, variërend van ‘vuur: vrouwelijk hormonaal 3E’, ‘geopathie: HSP, electrosmog’, postvaccinaal syndroom (PVS na DKTP en BMR), vier auto-immuunstoornissen, HPU, burn out en magnesiumtekort. Zijn therapie bestaat o.a. uit ‘ontstoren van het PVS’, Brain B12 zuigtabletten, Depyroll basis vegicaps, levercompressen en nog meer. De basis voor zijn pseudodiagnosen werd o.m. gevormd door de BICOM-2000 en de Rathega Extra, apparaten voor het opmeten van ‘bioresonantie’.

De verzekeringsarts beziet de gang van zaken met lede ogen en acht onder deze omstandigheden werkhervatting weinig kansrijk. De ziektewetuitkering die patiënte geniet in het kader van de Wet WIA wordt betaald uit de ziektewetpremies die alle werknemers in ons land betalen. Het ziekteverzuim dreigt door de alternatieve therapie die patiënte ondergaat onnodig lang te duren en de bedrijfsarts en de verzekeringsarts hebben de plicht de vrouw erop te wijzen dat zij zich adequaat moet laten behandelen. Geeft zij hieraan geen gehoor, dan heeft de laatste het recht een maatregel (schorsing van de uitkering) te doen opleggen.
 
Op een symposium van UWV-verzekeringsartsen, dat op 12 november 2009 in Roermond werd gehouden en waar deze casus werd gepresenteerd, bleek dat maar veel verzekeringsartsen best zo ver durven gaan. Maar doet men eens een enkele keer het voorstel de uitkering daadwerkelijk te stoppen, dan beslissen hogere instanties van het UWV meestal om dat toch maar niet te doen. Men wil daar ‘geen gedonder’. Een niet gering aantal verzekeringsartsen is daarover ernstig gefrustreerd. En voor ondergetekende, een werknemer die braaf zijn sociale premies afdraagt, geldt dat evenzeer. Verwarde geesten, als homeopathisch artsen per definitie zijn, richten dus bij hun patiënten fysieke schade aan en bij gezonde werknemers schade aan de portemonnee. Zo zit dat. En dat de betreffende homeopathisch arts lid is van de ‘beroepsvereniging’ VHAN en op zijn briefpapier het motto ‘Mens sana in corpore sano’ voert, doet daaraan helemaal niets af.

*Cees Renckens, vrouwenarts, voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij